Wet & regelgeving14 min

Schijnzelfstandigheid voorkomen: Wet DBA, VBAR en handhaving

Schijnzelfstandigheid is een van de meest besproken arbeidsmarktthema’s van de afgelopen jaren. Met het aflopen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 en de invoering van de VBAR (Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden) is het risico op naheffingen en boetes voor opdrachtgevers en zzp’ers sterk toegenomen. In dit artikel leggen we uit wat schijnzelfstandigheid is, welke criteria de Belastingdienst hanteert en hoe je als opdrachtgever én zzp’er risico’s voorkomt.

Wat is schijnzelfstandigheid?

Schijnzelfstandigheid doet zich voor wanneer iemand formeel als zelfstandige (zzp’er) werkt, maar feitelijk een arbeidsrelatie heeft met de opdrachtgever die lijkt op een dienstverband. De zzp’er werkt dan in de praktijk net als een werknemer: onder gezag van de opdrachtgever, met vaste werktijden, op de locatie van het bedrijf en vaak langdurig voor dezelfde opdrachtgever. Het verschil tussen de formele afspraken en de feitelijke situatie maakt het tot schijnzelfstandigheid.

De Belastingdienst en het UWV beoordelen arbeidsrelaties op basis van de feitelijke omstandigheden, niet op basis van wat er op papier staat. Een modelovereenkomst of opdrachtbevestiging die stelt dat er “geen sprake is van een dienstverband” biedt geen bescherming als de werkelijke situatie anders is. De rechter kijkt altijd naar hoe er in de praktijk wordt gewerkt.

Schijnzelfstandigheid is een probleem voor alle betrokken partijen. De opdrachtgever loopt het risico op naheffingen loonbelasting, sociale premies en boetes. De zzp’er kan zijn zelfstandigenaftrek kwijtraken en alsnog als werknemer worden aangemerkt. Daarnaast ondermijnt schijnzelfstandigheid eerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt, omdat bedrijven die zzp’ers inzetten lagere kosten hebben dan bedrijven die werknemers in dienst nemen.

Het is belangrijk om te begrijpen dat niet elke langdurige opdrachtrelatie automatisch schijnzelfstandigheid is. Er zijn veel situaties waarin een zzp’er terecht als zelfstandige werkt, ook als de opdracht langdurig is. Het gaat om het totaalplaatje: de mate van gezag, de inbedding in de organisatie, het ondernemersrisico en de zelfstandigheid van de zzp’er.

Wet DBA en VBAR: het wettelijk kader

De Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) verving in 2016 de oude VAR-verklaring. Het doel was om opdrachtgevers en zzp’ers gezamenlijk verantwoordelijk te maken voor de juiste kwalificatie van hun arbeidsrelatie. De Wet DBA introduceerde modelovereenkomsten als instrument om vooraf zekerheid te krijgen over de aard van de samenwerking.

De Wet DBA bleek in de praktijk echter onvoldoende duidelijkheid te bieden. Opdrachtgevers werden terughoudend met het inhuren van zzp’ers uit angst voor naheffingen, terwijl de Belastingdienst vanwege het handhavingsmoratorium nauwelijks handhaafde. Dit moratorium liep af op 1 januari 2025, waarna de Belastingdienst weer volledig is gaan handhaven op schijnzelfstandigheid.

De VBAR (Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden) is de opvolger die meer duidelijkheid moet bieden. De VBAR verduidelijkt de criteria voor het onderscheid tussen een arbeidsovereenkomst en een opdrachtovereenkomst. Daarnaast introduceert de wet een rechtsvermoeden: als het uurtarief onder een bepaalde grens ligt (verwacht rond €32 per uur), wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.

De VBAR benoemt drie hoofdcriteria: werkinhoudelijke aansturing (gezag), organisatorische inbedding en ondernemerschap. Deze drie criteria worden gewogen om te bepalen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een opdrachtovereenkomst. De wet geeft meer houvast dan de Wet DBA, maar laat nog steeds ruimte voor interpretatie in grensgevallen.

Criteria voor de gezagsverhouding

Het belangrijkste criterium voor het vaststellen van een arbeidsovereenkomst is de aanwezigheid van een gezagsverhouding. Gezag betekent dat de opdrachtgever instructies kan geven over hóé het werk wordt uitgevoerd, niet alleen wát er wordt gedaan. Als de opdrachtgever bepaalt op welke tijden de zzp’er werkt, welke methoden worden gebruikt en hoe het werk wordt georganiseerd, wijst dit op een gezagsverhouding.

De VBAR maakt onderscheid tussen werkinhoudelijke aansturing en organisatorische inbedding. Werkinhoudelijke aansturing gaat over de zeggenschap over de werkzaamheden: wie bepaalt wat er wordt gedaan, hoe het wordt gedaan en wanneer het wordt gedaan. Als de zzp’er zelf zijn werkwijze, planning en methoden bepaalt, is er minder sprake van gezag.

Organisatorische inbedding kijkt naar de positie van de zzp’er binnen het bedrijf. Indicatoren zijn: de zzp’er draagt bedrijfskleding, heeft een e-mailadres van het bedrijf, neemt deel aan teamvergaderingen, volgt dezelfde procedures als werknemers en is niet te onderscheiden van vaste medewerkers. Hoe meer de zzp’er “ingebed” is in de organisatie, hoe sterker het vermoeden van een arbeidsovereenkomst.

Tegenover gezag en inbedding staat het criterium van ondernemerschap. Als de zzp’er aantoonbaar ondernemersrisico loopt — investeert in bedrijfsmiddelen, meerdere opdrachtgevers heeft, zich laat vervangen, eigen acquisitie doet en eigen aansprakelijkheidsverzekering heeft — wijst dit juist op een zelfstandige opdrachtrelatie. De VBAR weegt alle criteria in samenhang.

Risico’s voor de opdrachtgever

De risico’s voor opdrachtgevers bij schijnzelfstandigheid zijn aanzienlijk. De Belastingdienst kan met terugwerkende kracht naheffingen opleggen voor loonbelasting en sociale premies over de gehele periode van de samenwerking. Bij een zzp’er die drie jaar voor €80 per uur heeft gewerkt, kan de naheffing oplopen tot tienduizenden euro’s per persoon.

Bovenop de naheffing kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen van maximaal 100% van de naheffing. In de praktijk worden boetes van 25% tot 50% opgelegd, maar bij bewuste schijnconstructies kan de boete hoger uitvallen. De totale financiele schade kan voor middelgrote bedrijven met meerdere zzp’ers snel in de honderdduizenden euro’s lopen.

Naast de fiscale risico’s is er ook het arbeidsrechtelijke risico. Als de zzp’er bij de rechter claimt dat er feitelijk een arbeidsovereenkomst bestond, kan de rechter dit bevestigen. De zzp’er heeft dan met terugwerkende kracht recht op vakantiedagen, vakantiegeld, loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming. Bij beëindiging van de samenwerking kan de opdrachtgever zelfs een transitievergoeding verschuldigd zijn.

De reputatieschade is een niet te onderschatten risico. Bedrijven die door de Belastingdienst worden beboet voor schijnzelfstandigheid, krijgen negatieve publiciteit. Dit kan leiden tot verlies van klanten, moeite met werving en beschadiging van het werkgeversmerk. In sectoren als de zorg, IT en bouw, waar veel met zzp’ers wordt gewerkt, liggen deze risico’s op de loer.

Risico’s voor de zzp’er

Voor zzp’ers zijn de risico’s van schijnzelfstandigheid anders, maar niet minder ingrijpend. Als de Belastingdienst vaststelt dat je feitelijk in loondienst was, verlies je de fiscale voordelen van het ondernemerschap. De zelfstandigenaftrek (€3.750 in 2026), de startersaftrek en de MKB-winstvrijstelling vervallen. Over voorgaande jaren kun je worden geconfronteerd met naheffingen inkomstenbelasting.

Daarnaast kan het UWV vaststellen dat je gedurende de periode van schijnzelfstandigheid verzekerd was voor de werknemersverzekeringen (WW, WIA, ZW). Dit klinkt positief, maar het betekent ook dat er premies verschuldigd zijn — die de opdrachtgever op jou kan proberen te verhalen. In de praktijk leidt dit tot juridische geschillen tussen opdrachtgever en zzp’er.

Het rechtsvermoeden in de VBAR kan zzp’ers met een laag uurtarief extra kwetsbaar maken. Als je uurtarief onder de drempelwaarde ligt, wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Je moet dan zelf aantonen dat je als zelfstandige werkt. Dit kan problematisch zijn voor zzp’ers in sectoren met lagere tarieven, zoals de schoonmaak, horeca of bezorging.

Een onverwacht risico is het verlies van je zzp-status bij de KvK en de Belastingdienst. Als er structureel sprake is van schijnzelfstandigheid, kan de Belastingdienst besluiten dat je geen ondernemer bent voor de inkomstenbelasting. Je verliest dan alle ondernemersfaciliteiten en wordt voor de belasting behandeld als resultaatgenieter of werknemer. Dit heeft grote gevolgen voor je fiscale positie en pensioenopbouw.

Modelovereenkomsten en hun waarde

Modelovereenkomsten zijn standaardcontracten die door de Belastingdienst zijn beoordeeld en goedgekeurd. Als je werkt conform een goedgekeurde modelovereenkomst, biedt dit enige bescherming tegen naheffingen. De Belastingdienst heeft verschillende typen modelovereenkomsten gepubliceerd: algemene modellen, branchespecifieke modellen en individueel goedgekeurde overeenkomsten.

Het is cruciaal om te begrijpen dat een modelovereenkomst alleen bescherming biedt als de feitelijke werkwijze overeenkomt met wat in de overeenkomst staat. Als de modelovereenkomst bepaalt dat de zzp’er zelf zijn werktijden bepaalt, maar in de praktijk werkt hij van 9 tot 5 op kantoor, dan biedt de overeenkomst geen bescherming. De Belastingdienst kijkt altijd naar de feitelijke situatie.

Met de komst van de VBAR verschuift de focus van modelovereenkomsten naar de drie hoofdcriteria (werkinhoudelijke aansturing, inbedding, ondernemerschap). Modelovereenkomsten blijven een nuttig hulpmiddel, maar zijn geen garantie meer. Het is verstandiger om de daadwerkelijke werkrelatie zo in te richten dat deze aan de criteria van zelfstandigheid voldoet, dan om alleen op papier de juiste afspraken te maken.

Sommige branches hebben eigen modelovereenkomsten ontwikkeld die specifiek zijn afgestemd op de gebruikelijke werkwijze in de sector. Deze branchespecifieke modellen bieden meer praktische houvast dan de algemene modellen. Controleer of er voor jouw sector een branchemodel beschikbaar is en gebruik dit als uitgangspunt voor je opdrachtovereenkomsten.

Webmodule Belastingdienst

De Belastingdienst heeft een webmodule ontwikkeld waarmee opdrachtgevers en zzp’ers vooraf kunnen toetsen of hun arbeidsrelatie als een dienstverband of als een opdrachtrelatie kwalificeert. De webmodule stelt een reeks vragen over de werkrelatie en geeft op basis van de antwoorden een indicatie. De uitkomst kan zijn: “indicatie dienstverband”, “indicatie opdrachtrelatie” of “geen oordeel mogelijk”.

De webmodule is bedoeld als hulpmiddel, niet als bindend oordeel. De Belastingdienst kan bij een controle alsnog tot een ander oordeel komen als de feitelijke situatie afwijkt van de antwoorden in de webmodule. Desondanks biedt de uitkomst van de webmodule een goede indicatie en kan het gesprek tussen opdrachtgever en zzp’er over de inrichting van de samenwerking richting geven.

Het is raadzaam om de webmodule in te vullen bij het aangaan van elke nieuwe opdrachtrelatie. Bewaar de uitkomst als onderdeel van je administratie. Als de Belastingdienst later vragen stelt over de arbeidsrelatie, kun je aantonen dat je vooraf hebt getoetst en te goeder trouw hebt gehandeld. Dit kan een rol spelen bij de vraag of een eventuele boete wordt opgelegd.

Houd er rekening mee dat de webmodule niet alle nuances van de arbeidsrelatie kan vangen. In complexe situaties — zoals interim-management, projectmatig werken of detachering via een eigen BV — is het verstandig om naast de webmodule ook juridisch advies in te winnen. Een arbeidsrechtadvocaat of fiscalist kan een specifiekere beoordeling geven van je situatie.

Praktische tips om schijnzelfstandigheid te voorkomen

De belangrijkste tip is om de zzp’er als een echte zelfstandige te behandelen, niet als een werknemer zonder vast contract. Dit betekent: geen vaste werktijden opleggen, geen verplichte aanwezigheid op kantoor, geen functioneringsgesprekken en geen deelname aan werknemersactiviteiten. De zzp’er bepaalt zelf hoe en wanneer hij het werk uitvoert, zolang het resultaat wordt opgeleverd.

Zorg ervoor dat de zzp’er zich kan laten vervangen door een ander. Het vervangingsrecht is een sterke indicator van zelfstandigheid. Als de zzp’er persoonlijk de arbeid moet verrichten en zich niet mag laten vervangen, wijst dit op een arbeidsovereenkomst. Leg het vervangingsrecht vast in de opdrachtovereenkomst en geef de zzp’er de mogelijkheid om er daadwerkelijk gebruik van te maken.

Beperk de duur van de opdracht en vermijd langdurige exclusieve relaties. Een zzp’er die al jaren fulltime voor één opdrachtgever werkt zonder andere klanten, komt al snel in de gevarenzone. Werk met duidelijke projectopdrachten met een begin- en einddatum. Als de samenwerking langer duurt, evalueer dan periodiek of de constructie nog passend is.

Documenteer de zelfstandigheid van de zzp’er. Bewaar bewijs dat de zzp’er meerdere opdrachtgevers heeft, eigen acquisitie doet, investeert in bedrijfsmiddelen en ondernemersrisico loopt. Dit kan via de website van de zzp’er, facturen aan andere klanten, KvK-uittreksels en een eigen beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Hoe meer bewijs van zelfstandig ondernemerschap, hoe sterker je positie.

Samenvatting

Schijnzelfstandigheid is een groot risico voor zowel opdrachtgevers als zzp’ers, zeker nu de Belastingdienst actief handhaaft en de VBAR meer duidelijkheid geeft over de criteria. De drie hoofdcriteria zijn werkinhoudelijke aansturing, organisatorische inbedding en ondernemerschap. Opdrachtgevers riskeren naheffingen, boetes en arbeidsrechtelijke claims. Zzp’ers riskeren verlies van fiscale voordelen en hun ondernemersstatus. Voorkom problemen door de werkrelatie zo in te richten dat de zzp’er daadwerkelijk als zelfstandige opereert, gebruik de webmodule en documenteer de zelfstandigheid.

Contractbeheer en HR-compliance met JustRunBiz

Met de HR-module en het contractbeheer van JustRunBiz houd je grip op je arbeidsrelaties. Beheer opdrachtovereenkomsten, monitor de duur van samenwerkingen en documenteer de zelfstandigheid van zzp’ers. Start 30 dagen gratis.

Gratis proberen